Openingstoespraak Berkhemer

Openingstoespraak door Jaap Röell, solotentoonstelling Michael Berkhemer, 13 januari 2019

 

Wat is dit?

 

Uit Armando Mensenpraat, 1995.

  • Hoe heet zoiets nou ook weer.
  • Wat.
  • Nou, dat daar.
  • Het heeft een naam.
  • Zeg het dan als je het zo goedweet.
  • Het heeft iets met kunst te maken.
  • Ook dat nog.
  • He, ik kan er niet op komen.
  • Mij moet je zoiets zeker niet vragen.
  • Verrek, hoe heet dat nou ook weer.
  • Geen idee.
  • ’t Is anders heel interessant hoor.
  • Dat zal best ja.
  • Ach, wat kan het mij eigenlijk ook schelen.

 

Soms zie ik als galeriehouder mensen binnen komen met een blik  van Wat is dit? Ik leg dan uit dat dit een galerie is en dat …

 

– Ooh, dan is dit zeker kunst? Bent u de kunstenaar?

– Nee, niet de kunstenaar, slechts de galeriehouder. En dit is een solo

tentoonstelling van Michael Berkhemer die …

– Berkzemer? Nooit van gehoord. Dit alles is van hem? Goh, interessant.

Doet ie dat altijd zulke lange?

– Nee, niet altijd, maar in dit geval heeft hij …

– Leeft hij nog?

– Jazeker, hij was aanwezig op de opening en toen ..

– Ach, laat ook maar, we moeten door, dank u wel he, daaag.

 

Het leven van een galeriehouder gaat niet over rozen.

Maar deze bezoekers stellen wel een zinvolle vraag: wat is dit?

 

Dit gaat over de essentialia van het schilderen en van een schilderij: vorm / kleur /en lijn. Bijna elk schilderij is tot deze drie elementen terug te voeren. Daar komt voor Berkzemer nog iets bij: het spelen met de presentatie van de drager – doek of  hout –  is essentieel voor de presentatie en tegelijkertijd de zeggingskracht van zijn werken. Zijn langwerpige wandbeelden met de lichte bolling in de structuur van het tulpenboomhout zijn daar de duidelijkste voorbeelden van: lijn / kleur / vorm en ontsnappen aan het platte vlak dat onvermijdelijk verbonden is aan een schilderij. Dát kenschets Berkhemers werk.

 

Wat opvalt als je binnenkomt in de galerie is de verticaliteit van de tentoonstelling: alsof gepoogd wordt hemel en aarde te verbinden. In dit geval is een neerwaarts gerichte lijn tegelijkertijd een opwaartse lijn. De Jacobsladder gelijk. Waar gaat die ladder heen, waar is boven en waar beneden? Gaat het om Jacob die uitgenodigd wordt om de ladder te beklimmen of gaat het om het licht dat bovenaan de ladder de hemelse glorie bezingt en zich via de ladder over de aarde verspreidt?

 

Berkhemer verbindt aan de verticaliteit geen religieuze connotatie, maar het is invoelbaar dat bijvoorbeeld het Museum voor Religieuze Kunst te Uden of het Catharijneconvent hier in Utrecht, deze kunst als zodanig zou kunnen opvatten. Meer profaan opgevat gaat het over groeikracht, die immers altijd verticaal gericht is, naar het licht. In competitie. Geen enkele boom is gelijk een andere boom, wel gelijksoortig. Geen enkel kunstwerk is gelijk aan een ander, gelijksoortig kan wel.

 

Welnu, hier ziet u gelijksoortige maar steeds elk afzonderlijke werken. Een bos waarbij u zowel het bos als de bomen ziet. In soberheid en in ruimtelijkheid gepresenteerd zodat elk werk aandacht kan krijgen.

 

Een kenmerk van Berkhemers werk is ook dat wat er niet is: een enkele horizontale lijn van links naar rechts over het doek ziet u niet, ziet u nooit bij Berkhemer. Dat is voor hem te figuratief want onvermijdelijk, zeker voor de Hollandse beschouwer. Een dergelijke lijn over het doek is namelijk een horizon. Dat creëert onmiddellijk een onder en een boven Met meestal veel lucht boven de streep/horizon. Het anders zien is dan niet meer mogelijk. Nederlandse schilderkunst barst van de horizonten, de ene nog mooier dan de ander. Daar is een museale tentoonstelling aan te wijden, alleen horizonten: Holland op z’n breedst.

 

Berkhemer komt daar niet te hangen. Hij zoekt het niet in de breedte maar in de hoogte. Toch heeft zijn werk  sterk figuratieve elementen in zich, namelijk schaduwlijnen, kleuraccenten langs muren van huizen, glinstering in het water, doorzichten, open ramen alles wat lijn en kleur heeft. Hij ziet dat, isoleert het, pakt het in, structureert het door scherpe lijnen te trekken. Een proces van spraakloos zien, bijna gedachteloos, deconstrueren, het uit elkaar halen van kleur, vorm en structuur, en het op doek opnieuw bijeen voegen door steeds keuzes te maken van het weglaten. Het gevolg van dit  proces is: essentie, in de ogen van de kunstenaar.

 

Ik zie er reductie in, in een poging tot beheersing, sturing, om uiteindelijk een hernieuwde balans en ritme te vinden. Om het hoogdravend te zeggen: het samenvoegen tot een nieuwe esthetica.

 

Het resultaat zou je geometrisch-abstract kunnen noemen, maar dat doet onvoldoende recht aan het werk van Berkhemer. Letterlijk veel te rechtlijnig.

Van te voren schetst hij op ruitjespapier de vorm en kleurpatronen, als een houvast voor het schilderwerk , maar die schets is niet dwingend voor het uiteindelijke resultaat. Onderweg gebeurt er het een en ander wat je intuïtie zou kunnen noemen en ervaring. Tijdens het schilderen wijzigt er het nodige en dat kan je ook zien als je er met je ogen van zeer nabij naar kijkt. Vandaar ook de voorkeur om met acrylverf te werken. Dat maakt het mogelijk om snel te werken en variaties aan te brengen zonder lang te moeten wachten tot de verf droog genoeg is. Je zou zijn werk hooguit abstract met geometrische elementen kunnen noemen.

 

Maar nu ben ik zelf aan het kaderen. Laten we dat aan de schilder overlaten.

 

Armando Mensenpraat, met een kleine aanpassing door mij:

 

– Wat is hier.

– Hoe weet ik dat nou.

– Allemaal moderne dingen.

– Moderne zooi.

– Je kunt hiernaar binnen.

– Wat zou dat dan zijn.

– Ik zie het al.

– Wat.

– Moet je niet heen.

– Waarom niet.

-Het is een galerie.

– O!

– Een galerie.

– Moet je niet heen.

-Laten we doorlopen.

 

U hebt dat terecht niet gedaan.

 

Jaap Röell,

13 januari 2019.