Acht Beeldvormers

De tentoonstelling van Acht Beeldvormers wordt op 3 maart 2019 om 17.00 uur geopend door Klaas Pauw, voorzitter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers.

 

Een tentoonstelling van acht beeldvormers, allen lid van de Nederlandsche Kring van Beeldhouwers. De Kring vierde vorig jaar haar 100-jarig bestaan met een grote overzichtstentoonstelling in Pulchri Studio te Den Haag waar 100 leden van de NKvB aan deelnamen en ook een expositie in en bij het Dordrechts Museum waar 12 leden werken toonden. De NKvB heeft zich in de loop van die 100 jaar ontwikkeld van een vakbond voor beeldhouwers tot een netwerk van individuele leden waarbij het presenteren van elkaars werk door middel van tentoonstellingen, centraal staat. Deze expositie in KuuB wil daar een bijdrage aan leveren. Ter meerdere eer en glorie van de hedendaagse Nederlandse beeldhouwkunst die zo divers qua werkwijze en materiaalkeuze is dat niet meer zo makkelijk van beeldhouwers in klassieke zin gesproken kan worden, maar beter van beeldvormers.

De keuze van de kunstenaars en hun werken zijn door mij gemaakt. Daarbij waren de begrippen ruimte, stapeling en volumes in de driedimensionale beeldende kunst leidend. Uiteindelijk gaat het daarbij om de vraag of de wijze waarop door materie inhoud is gegeven aan deze drie begrippen, tot een compositie heeft geleid die in balans is, die aanleiding geeft tot het er omheen cirkelen, kijken en, bij kleiner werk, tot het in de hand nemen. Abstractie overheerst, alhoewel ook in abstractie veelal figuratieve elementen aanwezig zijn.

De geselecteerde beeldhouwers behoren niet meer tot de jongste generatie. Dat is niet vanwege een bewuste keuze, maar het gevolg van het ledenbestand van de NKvB. Het voordeel daarvan is dat hun werk uitgekristalliseerd is; zij hebben hun weg in de beeldende kunsten gevonden. Daarmee is de tentoonstelling in KuuB onbedoeld ook een generatietentoonstelling.

Claus Bertram

In het atelier van Bertram (1938) hangt een tekening van vierkanten die steeds op een ander manier verdeeld zijn. Zij geven de mogelijkheden aan van de geometrische vormen waarmee hij zijn beelden opbouwt, zonder dat dit leidt tot een strenge symmetrie. Het repeterende karakter wordt steeds bewust verstoord om het werk eigenheid te geven. Ruimte en licht krijgen vrij spel waardoor de suggestie van beweging ontstaat. De beelden zijn van aluminium, roestvrij staal, messing, ijzer, zink of een combinatie van deze materialen. Op de expositie worden ook prenten getoond in verschillende gemengde technieken, zoals afdrukken in roest die refereren aan de basisvormen van zijn ruimtelijke composities. De oxidatie van de metalen vorm op doorweekt papier wordt door de kunstenaar steeds bijgestuurd. Zoals aardlagen de ontwikkeling van een landschap weergeven, zo weerspiegelen deze roestprenten het ontstaan van zijn beelden.

Annemie Bogaerts

Het diverse werk van Annemie Bogaerts (1947) kenmerkt zich door lijnen en kleur binnen een helder gekaderde structuur. Veelal maakt ze haar installaties voor specifieke locaties die ze afperkt en daar vervolgens kleur in aanbrengt, soms door middel van natuurlijke materialen zoals bladeren, zand en graansoorten. Zij tracht binnen een zelf gecreëerd grid, maximale vrijheid te vinden. In KuuB worden bronzen vormen getoond die van oorsprong functioneel van aard waren, zoals dozen die door haar zodanig open gevouwen zijn dat deze nog slechts de ribben tonen en transparant geworden zijn. Daarnaast toont zij ook grafiek, veelkleurige litho’s waarvan sommige op Japans papier en op beschilderde MDF-paneeltjes zijn aangebracht waardoor het objecten zijn geworden. Van enige afstand hebben deze werken de suggestie dat het textielen betreft.

Mieke van den Hoeven

Van den Hoeven (1955) is de enige kunstenaar in deze expositie die haar beelden laat zweven, alsof ze de zwaartekracht weerstaan. Sculpturen als mobiles. In dit geval ruimtelijke aluminium objecten met verschillende kleuren aan de binnenkant van de open facetten. Door de wind beweegbare (de)constructies die de ruimte manipuleren. Van der Hoevens constructies zijn bij uitstek werk waarbij balans van eminent belang is en waar je tussendoor en omheen kan cirkelen om steeds een net iets ander samenspel van vorm en kleur in het weerkaatsende licht te beschouwen. Zij heeft in de zomer van 2013 al eerder in KuuB geëxposeerd, toen met aan het plafond hangende en ook muurobjecten van transparante fotoprints van fragmenten van Europese bruggen op aluminium dragers. De brugdelen zweefden langs elkaar, zoekend naar contact.

Henny van der Meer

Zelf zegt Henny van der Meer (1951) van haar werk: ‘Ik teken de ruimte’, en zo is het. Ze doet dat met geknipt en vervolgens gelast staal, net zo lang tot er een compositie van taken en vertakkingen ontstaat. Een bijna organisch proces van groei en snoei, uitdijend en beheerst. De constructies worden enkele centimeters van de wand opgehangen waardoor er licht en ruimte achter ontstaat. Haar werk is een combinatie van een verfijnde en gedetailleerde grafische tekening van een boom, een struik of in elkaar verweven takken met het smidse werk van buigen, knippen en lassen. Er ontstaat een vorm als een haag. Ze hebben iets betoverends, alsof daarachter een Doornroosje wacht en wacht.

Lidia Palumbi

Lidia Palumbi (1952) heeft recentelijk haar lidmaatschap van de NKvB opgezegd omdat ze nu permanent in Milaan is gaan wonen en daar ook werkt. Op de expositie in Pulchri zag ik o.a. haar bronzen beeld Vetusta Mater, een vaasachtige vorm die uit zware klei lijkt te zijn opgebouwd; gedeukt, aards en aangeraakt door het leven. Een beeld dat mij doet denken aan een strofe uit het lied Der Lindenbaum uit Winterreise van Franz Schubert: Nun bin ich manche Stunde / Entfernt von jenem Ort / Und immer hör ich’s rauschen / Du fändest Ruhe dort! Een eenzaam beeld waar je je hand beschermend omheen zou willen leggen. Palumbi’s bronzen sculpturen roepen door de vorm, de huid en het volume, compassie op, zoals het beeld Risveglio (Ontwaken) waar een boom, slechts één boom, op een ondefinieerbare vlakte staat: hoop, tristesse, een baken?

Louis Reijnen

Op de expositie in Pulchri Studio stond het bronzen object Schipbreuk van Louis Reijnen (1947). Een fascinerend beeld van wat op een Romeins vrachtschip lijkt uit vervlogen tijden waarvan alleen nog de binten uit een modderige zeebodem steken. Als het woord Beeldverhaal ergens op van toepassing is, dan is het wel op dit vergane schip waar eens een machtig rijk op voer. Dat beeld maakt deel uit van de expositie in KuuB, net zoals een weergave van een Campanile, een verticaal element op een verstild plein waar de zon al eeuwen omheen draait. En ook nog een andere oervorm van een schip, lang en slank waarop een ster is gevallen. De tijd passeert.

Rob Schreefel

Elke keer als ik op de A 28 naar het noorden rijd ter hoogte van Assen-Zuid, staat daar hoog op het talud het TT landmark van Rob Schreefel (1953). Deze verticale stapeling van Bretons granieten blokken torsen het uitspansel. Voor minder lijkt Schreefel het met zijn bouwsels van natuurstenen brokken niet te willen doen. Als er een kunstenaar is die van ruimte, stapeling en volumes, perspectivische beelden maakt, dan is het Rob Schreefel. Hoe letterlijk zwaar zijn materiaal ook is, er is altijd een vorm van lichtheid in te herkenen, diepte en transparantie. De zwaartekracht lijkt gereduceerd te zijn tot die op de maan. Hij bouwt zijn werken op zonder dat deze enige versteviging zoals bouten behoeven. Zijn torens zullen niet ineenstorten ook al loop je er zeven keer zingend omheen, zoals wel het geval was met de stevige muren van de stad Jericho.

Marry Teeuwen

Marry Teeuwen (1945) was een van de leden van de NKvB die vorig jaar in het Dordrechts Museum exposeerde, onder andere met een muurobject in acht ritmische delen van uitgegloeid ijzerdraad. Alsof er een niet te ontcijferen zin stond van een verloren gegane cultuur. Haar liggende, staande of hangende objecten zijn veelal onderworpen aan geometrische en herhaalde vormen, repetitieve en sobere elementen, overwegend van (roestend) staal. De laatste jaren zijn haar ingrepen in de ordening van het materiaal minder geworden en laat zij de toevalligheid van vorm en structuur steeds meer toe en isoleert zij het object van zijn oorspronkelijke omgeving waardoor het een nauwelijks aangetast uniek object wordt.

 

Jaap Röell, Utrecht, januari 2019